Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 juli 2006, waarin verdachte werd veroordeeld voor meervoudige diefstal van een portemonnee. Het hoger beroep werd ingesteld door een advocaat die namens verdachte optreedt, maar deze advocaat weigerde de dagvaarding in ontvangst te nemen. Volgens de wet wordt de dagvaarding in dat geval toch geacht te zijn uitgereikt aan de verdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat de dagvaarding op 13 februari 2006 in persoon aan verdachte is uitgereikt, waardoor de termijn van veertien dagen om cassatie in te stellen na de einduitspraak van het hof op 31 juli 2006 begon te lopen. Het cassatieberoep werd echter pas op 25 januari 2018 ingesteld, ruim na het verstrijken van de termijn.
De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Tevens wordt opgemerkt dat deze uitleg ook geldt voor de huidige wettelijke bepalingen omtrent dagvaarding en betekening. Hiermee wordt bevestigd dat weigering van ontvangst door een gemachtigde niet leidt tot niet-uitreiking van de dagvaarding.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens overschrijding van de termijn ondanks weigering van ontvangst dagvaarding door advocaat.