Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Wettelijk kader
4.Beoordeling van het middel
5.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een Statenlid van Curaçao dat tijdens radio-uitzendingen vertrouwelijke informatie uit een besloten commissievergadering openbaar maakte, wat werd aangemerkt als opzettelijke schending van het ambtsgeheim volgens artikel 2:232 SrC Pro.
De Hoge Raad heeft overwogen dat artikel 59 van Pro het Reglement van Orde van de Staten, waarin de geheimhoudingsplicht is neergelegd, een verplichting uit hoofde van een wettelijk voorschrift vormt. Deze geheimhoudingsplicht is een toegestane beperking van de vrijheid van meningsuiting zoals gewaarborgd in artikel 9 Staatsregeling Pro en artikel 10 EVRM Pro, omdat zij noodzakelijk is voor het vrijuit kunnen spreken tijdens vergaderingen.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat de geheimhoudingsplicht buiten toepassing zou moeten worden gelaten vanwege onverenigbaarheid met het recht op vrije meningsuiting en dat de informatie reeds publiekelijk bekend was. Het hof had terecht geoordeeld dat het niet relevant is of de informatie al in het publieke domein was, omdat de geheimhoudingsplicht de vertrouwelijkheid tijdens de vergadering waarborgt.
Het beroep in cassatie werd verworpen en de Hoge Raad oordeelde dat ondanks overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg daaraan verbonden wordt gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor opzettelijke schending van het ambtsgeheim met een geheel voorwaardelijke geldboete.