Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 december 2017, waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk in brand steken van zijn eigen huurwoning in een flatcomplex. Dit gebeurde naar aanleiding van een aangekondigde ontruiming vanwege een langdurig conflict met de verhuurder.
De verdachte stelde onder meer dat uit het bewijs niet kon worden afgeleid dat hij opzettelijk vuur had aangestoken en voerde aan dat er geen restanten van methaan waren aangetroffen. De Hoge Raad verwierp deze verweren en concludeerde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling waren.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat sprake was van opzettelijk brandstichten met het oog op het gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen en het arrest van het hof is bekrachtigd.