Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
Artikel 1
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
oktober 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn in 1999 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een beding dat de kosten van de huishouding naar evenredigheid van inkomens en vermogens worden gedragen. De man is directeur-grootaandeelhouder van twee vennootschappen en heeft rekening-courantschulden bij deze bedrijven. Het huwelijk is in 2016 ontbonden.
De man vordert dat de vrouw voor de helft draagplichtig wordt voor gezamenlijke geldleningen, rekening-courantschulden en een naheffingsaanslag. De rechtbank oordeelde deels in zijn voordeel, maar het hof vernietigde dit en bepaalde onder meer dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de geldleningen en dat rekening-courantschulden naar evenredigheid van inkomen en vermogen worden verdeeld.
In cassatie betoogt de vrouw dat zij niet op de hoogte was van de rekening-courantschulden en dat het onredelijk is haar hiervoor aansprakelijk te stellen. De Hoge Raad oordeelt dat dit geen afbreuk doet aan haar draagplicht zolang de gelden daadwerkelijk zijn gebruikt voor de kosten van de huishouding. Het hof heeft echter onvoldoende aandacht besteed aan de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid bij ontoereikend inkomen en vermogen, wat tot vernietiging en verwijzing leidt.
De Hoge Raad verwerpt het principale beroep van de vrouw, vernietigt het incidentele beroep van de man en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen, het incidentele beroep van de man vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.