Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het hof oordeelde dat het hoger beroep te laat was ingesteld, ondanks dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en geen schriftelijke vertaling van de mededeling van de verstekuitspraak had ontvangen.
De verdediging stelde dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was omdat verdachte de mededeling niet begreep en daardoor niet tijdig hoger beroep kon instellen. Het hof vond dat verdachte wel in de gelegenheid was om informatie in te winnen bij zijn advocaat en dat het contact met een raadsman in een vreemdelingenzaak niet tot een andere conclusie leidde.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 366, vierde lid, Sv verdachte recht heeft op een schriftelijke vertaling van de mededeling van het vonnis in een voor hem begrijpelijke taal. Nu uit de stukken niet blijkt dat een dergelijke vertaling is verstrekt, is het oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is, niet zonder meer begrijpelijk. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens ontbrekende vertaling van de mededeling van het vonnis.