Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 12 juni 2018, nr. AWB 17/3136, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 3 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland behandeld. Het betrof een verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van 3 oktober 2017. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer Wortel als voorzitter en raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.