Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte, afdelingshoofd van een ziekenhuis, werd veroordeeld voor gewoontewitwassen en het opzettelijk onjuist doen van aangifte inkomstenbelasting. Verdachte stortte betalingen van farmaceutische bedrijven op Luxemburgse bankrekeningen zonder deze op te geven aan de belastingdienst en vervoerde het geld vervolgens naar Nederland.
In cassatie werden meerdere gronden aangevoerd, waaronder niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens onrechtmatig verkregen bewijs en privacy-inbreuk door de belastingdienst. Daarnaast werd betoogd dat het bewijs onvoldoende was om de gewoontewitwaspraktijken te bewijzen en dat de strafmotivering tekort schoot, onder meer door het ontbreken van een nadere specificatie van het benadelingsbedrag en kritiek op media-uitingen van het OM.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor gewoontewitwassen en onjuiste belastingaangifte.