Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd bewezenverklaard van lokaalvredebreuk in het Ibis Hotel te Utrecht. De verdachte had ondanks een formele waarschuwing en een duidelijke vordering van het hotelpersoneel om het hotel te verlaten, geweigerd te vertrekken.
Het hof stelde vast dat de verdachte na herhaalde vorderingen niet vertrok en zich agressief gedroeg, wat leidde tot zijn aanhouding. De verdediging voerde aan dat de verdachte zich niet wederrechtelijk in het hotel bevond omdat hij een kamer had gehuurd en betaald, en dat onvoldoende bewijs was geleverd van de tweede vordering tot vertrek. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de mededeling van het hotelpersoneel een duidelijke aanzegging was om het hotel te verlaten, waarna het verblijf van de verdachte wederrechtelijk werd.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie over art. 138, eerste lid, Sr. De civielrechtelijke overeenkomst tot kamerhuur doet niet af aan het feit dat de verdachte na vordering door de rechthebbende wederrechtelijk in het hotel verbleef. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor lokaalvredebreuk wegens het niet vertrekken uit het hotel na vordering.