Uitspraak
[X]te
[Z], Zwitserland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 6 juli 2018, nr. 17/00403, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de erfbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, had tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld betreffende een erfbelastingaanslag over 2014. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. De griffier had belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld.
Het griffierecht werd echter niet binnen deze termijn betaald. Na een nadere schriftelijke toelichting van belanghebbende achtte de Hoge Raad deze niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen aanleiding was om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het reeds betaalde griffierecht van €126 werd aan belanghebbende teruggegeven. Het arrest werd op 1 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.