Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het Hof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepbestanddelen en vrijgesproken van hennepteelt. Het Hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €450.640,00 op basis van een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 januari 2008 tot en met 2 september 2013. Het Hof legde een hoofdelijke betalingsverplichting op aan de betrokkene voor het volledige bedrag, waarbij rekening werd gehouden met de gezamenlijke huishouding en economische eenheid met een mededader.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onjuist heeft geoordeeld door bij toepassing van art. 36e, derde lid (oud) Sr een hoofdelijke betalingsverplichting op te leggen, omdat deze mogelijkheid volgens art. 36e, zevende lid Sr, zoals sinds 1 juli 2011 van kracht, beperkt is tot gevallen waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid van art. 36e Sr. Het Hof heeft deze wettelijke beperking miskend.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting en afdoening. De overige middelen behoeven geen bespreking. De uitspraak benadrukt de noodzaak van correcte toepassing van wettelijke bepalingen bij ontnemingsmaatregelen en de beperkingen van hoofdelijke aansprakelijkheid in dat kader.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof en wijst zaak terug wegens onjuiste toepassing van hoofdelijke betalingsverplichting bij ontneming.