Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor meervoudige poging moord, het voorhanden hebben van een gaspistool en bedreiging. De verdachte stelde cassatie in tegen deze veroordeling.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase. De Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn was overschreden, hetgeen een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf rechtvaardigde. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat betrekking had op de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van acht jaar naar zeven jaar en zes maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht naar zeven jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.