ECLI:NL:HR:2019:1558
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Het hof had geoordeeld dat sprake was van verknochtheid van zaken voor de redelijke termijn van berechting, maar de Hoge Raad oordeelde anders op basis van recente jurisprudentie.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het ging om de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelde de vergoeding vast op een hoger bedrag van € 2.000. Tevens werd bepaald dat wettelijke rente gaat lopen indien de vergoeding niet tijdig wordt betaald.
Daarnaast werden de proceskosten verdeeld en werd de Staatssecretaris van Financiën en de Staat veroordeeld tot betaling van een deel van het griffierecht en de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand. De Hoge Raad deed deze uitspraak op 11 oktober 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot € 2.000 en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris in proceskosten.