ECLI:NL:HR:2019:1559
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijke termijn bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
Het middel richtte zich onder meer tegen het oordeel van het Hof over de verknochtheid van zaken voor de bepaling van de redelijke termijn van berechting. De Hoge Raad oordeelde dat het middel terecht was voorgesteld maar tot cassatie niet kon leiden omdat de verlenging van de redelijke termijn met zes maanden door het Hof terecht was toegepast.
De overige middelen konden eveneens niet tot cassatie leiden, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof blijft in stand.