ECLI:NL:HR:2019:1571
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarin hoger beroep werd behandeld over een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk was.
Uit de procedure bleek dat het beroepschrift niet binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken was ingediend. De termijn eindigde op 6 augustus 2019, terwijl het beroepschrift pas op 8 augustus 2019 bij de griffie van de Hoge Raad werd ontvangen. Ook was het niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
Belanghebbende kreeg de gelegenheid om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of om een reden voor de overschrijding te geven, maar de aangevoerde gronden waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer Wortel als voorzitter, samen met raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift.