ECLI:NL:HR:2019:1572

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2019
Publicatiedatum
10 oktober 2019
Zaaknummer
19/03751
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens overschrijding termijn in zaak immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk was. Uit de stukken blijkt dat het beroepschrift op 8 augustus 2019 bij de Hoge Raad is ontvangen, terwijl de termijn voor het indienen van het beroep op 6 augustus 2019 was verstreken. Ook was er geen sprake van tijdige indiening in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.

Belanghebbende kreeg de mogelijkheid om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of een reden te geven voor de overschrijding, maar de aangevoerde gronden waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 11 oktober 2019.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03751
Datum11 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 juni 2019, nrs. BK-19/00082 t/m 19/00095, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. AWB 06/8764-isv, AWB 06/8765-isv, SGR 08/8762-isv tot en met SGR 08/08764-isv, SGR 08/8766-isv, SGR 08/8767-isv, SGR 10/8250-isv, SGR 10/8258-isv, SGR 11/5389-isv, SGR 11/5391-isv en SGR 11/5393‑isv tot en met SGR 11/5395-isv, betreffende een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van het Hof heeft op de uitspraak van het Hof aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 25 juni 2019.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 8 augustus 2019 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 6 augustus 2019. Het is ook niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 14 augustus 2019 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, of mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 30 augustus 2019 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.