ECLI:NL:HR:2019:1572
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens overschrijding termijn in zaak immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk was. Uit de stukken blijkt dat het beroepschrift op 8 augustus 2019 bij de Hoge Raad is ontvangen, terwijl de termijn voor het indienen van het beroep op 6 augustus 2019 was verstreken. Ook was er geen sprake van tijdige indiening in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
Belanghebbende kreeg de mogelijkheid om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of een reden te geven voor de overschrijding, maar de aangevoerde gronden waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 11 oktober 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.