Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
15 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake poging zware mishandeling. Verdachte gooide met kracht een koekenpan met hete olie tegen de rug van het slachtoffer, hetgeen leidde tot de verdenking van poging zware mishandeling.
In cassatie werden klachten geuit over het bewijs van opzet en de temperatuur van de olie. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.