Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord en brandstichting en verboden vuurwapenbezit. Centraal staat de vraag of het bij zijn aanhouding toegepaste politiegeweld, waaronder een trap in de rug, een beet door een politiehond en vuistslagen tegen het hoofd, disproportioneel was en daarmee een vormverzuim opleverde dat tot strafvermindering zou moeten leiden.
Het hof oordeelde dat de situatie dynamisch en potentieel risicovol was, waarbij de verdachte ondanks bevelen niet stopte en er onzekerheid bestond over het bezit van zware vuurwapens. Het gebruikte geweld werd als noodzakelijk en proportioneel beoordeeld, mede omdat de inzet van de politiehond als minder verstrekkend geweldsmiddel werd gezien dan het gebruik van het dienstwapen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het verweer af.
De Hoge Raad benadrukt dat hoewel de vuistslagen tegen het hoofd niet evident noodzakelijk waren, dit onvoldoende is om disproportionaliteit aan te nemen. Tevens wordt gewezen op het recht van de rechter om bij straftoemeting rekening te houden met de gevolgen van politiegeweld, ook als dit rechtmatig is. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het toegepaste politiegeweld proportioneel was en geen vormverzuim opleverde.