ECLI:NL:HR:2019:1602
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende, een B.V., had een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep tegen besluiten van de Staatssecretaris van Financiën en de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had een eerdere uitspraak gedaan waarbij een lagere vergoeding werd vastgesteld.
In cassatie stelde belanghebbende meerdere middelen voor, waarvan één slaagde op grond van een recente jurisprudentie van de Hoge Raad over verknochtheid van zaken bij de bepaling van de redelijke termijn. De overige middelen werden verworpen omdat deze niet tot relevante rechtsvragen leidden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente betrof en stelde de vergoeding vast op een hoger bedrag van €2.500. Tevens werd bepaald wanneer de wettelijke rente over de verschillende vergoedingen gaat lopen.
Daarnaast werden de proceskosten verdeeld, waarbij de Staatssecretaris en de Staat ieder de helft van het griffierecht en de helft van de kosten van de beroepsmatige rechtsbijstand aan belanghebbende moeten vergoeden.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 18 oktober 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €2.500 en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris tot betaling van proceskosten.