ECLI:NL:HR:2019:1638

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2019
Publicatiedatum
28 oktober 2019
Zaaknummer
18/00096
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 312 lid 1 SrArt. 312 lid 2 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep bij diefstal met geweld

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over diefstal met geweld en bedreiging op een bedrijf te Zoetermeer. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen.

De verdediging stelde meerdere middelen voor, waaronder dat het hof ten onrechte oordeelde dat sprake was van gezamenlijk plegen, dat een getuigenverzoek onterecht werd afgewezen en dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen zonder nadere motivering.

Ten aanzien van het middel over de redelijke termijn constateerde de Hoge Raad dat het hof het oordeel niet voldoende heeft gemotiveerd. De termijn tussen het vonnis in eerste aanleg en het arrest in hoger beroep bedroeg ruim twee jaar en acht maanden, wat niet gerechtvaardigd werd door het verrichte onderzoek. De Hoge Raad achtte daarom de overschrijding van de redelijke termijn bewezen en besloot de zaak zelf af te doen door de straf te verminderen van 300 naar 272 dagen gevangenisstraf.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan op 29 oktober 2019 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 300 naar 272 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00096
Datum29 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 13 december 2017, nummer 22/001469-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat niet sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
3.2.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17, 22 en 29 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in:
“95. Daarbij is tot slot van belang dat bij de behandeling van deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het vonnis is immers gewezen op 25 maart 2017 en tegen de tijd dat Uw Hof in deze arrest zal wijzen zullen er minimaal twee jaar en acht maanden zijn verstreken. Een lange periode die niet wordt gerechtvaardigd door het in hoger beroep uitgevoerde onderzoek, waarin [verdachte] in voortdurende onzekerheid heeft geleefd over de uitkomst van deze zaak en waarin hij onder andere middels de VOG-kwestie ook steeds geconfronteerd is met die zaak.”
3.2.2
Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - in:
“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu het vonnis op 25 maart 2015 is gewezen en ruim twee jaren zijn verstreken voordat het hof arrest wijst.
Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer dat, gelet op de in acht te nemen termijnen, geen sprake is van enige schending. Tussen de aanvang van de redelijke termijn op 13 januari 2015 en het wijzen van het vonnis op 25 maart 2015 is immers niet meer dan 2 jaren verstreken. Voorts is het vonnis op tegenspraak gewezen, zodat van een niet voortvarende betekening van de verstekmededeling geen sprake is. Tot slot is het dossier binnen 8 maanden, te weten op 29 september 2015, na het instellen van hoger beroep op 25 maart 2015 bij het hof binnen gekomen.”
3.3
De akte hoger beroep houdt in dat op 25 maart 2015 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg van 25 maart 2015. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de bestreden uitspraak op 13 december 2017 is gedaan, is het oordeel van het Hof dat “gelet op de in acht te nemen termijnen, geen sprake is van enige schending” niet zonder meer begrijpelijk.
3.4
Het middel is gegrond. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van driehonderd dagen verminderen als hieronder vermeld.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze gevangenisstraf 272 dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 oktober 2019.