Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over diefstal met geweld en bedreiging op een bedrijf te Zoetermeer. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen.
De verdediging stelde meerdere middelen voor, waaronder dat het hof ten onrechte oordeelde dat sprake was van gezamenlijk plegen, dat een getuigenverzoek onterecht werd afgewezen en dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen zonder nadere motivering.
Ten aanzien van het middel over de redelijke termijn constateerde de Hoge Raad dat het hof het oordeel niet voldoende heeft gemotiveerd. De termijn tussen het vonnis in eerste aanleg en het arrest in hoger beroep bedroeg ruim twee jaar en acht maanden, wat niet gerechtvaardigd werd door het verrichte onderzoek. De Hoge Raad achtte daarom de overschrijding van de redelijke termijn bewezen en besloot de zaak zelf af te doen door de straf te verminderen van 300 naar 272 dagen gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan op 29 oktober 2019 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 300 naar 272 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.