Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor verduistering en diefstallen door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij middelen werden aangevoerd over onvoldoende respons op processtukken en ontoereikende bewijsmotivering. De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor de strafmaat en vermindering van de gevangenisstraf, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van 21 maanden naar 20 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 5 februari 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 21 naar 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.