Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.De prejudiciële procedure
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.Beslissing
1 november 2019.
Hoge Raad
Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad betreft de geldigheid van een niet-wijzigingsbeding in een overeenkomst tussen ouders over kinderalimentatie. Het beding bepaalt dat de vastgestelde kinderalimentatie niet kan worden gewijzigd, ook niet bij gewijzigde omstandigheden die normaal tot aanpassing zouden leiden.
De Hoge Raad stelt vast dat ouders verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, en dat deze verplichting dwingendrechtelijk is. Een beding dat een verhoging van kinderalimentatie uitsluit, is daarom nietig omdat het strijdig is met deze dwingendrechtelijke norm. Een beding dat een verlaging uitsluit, is in beginsel niet in strijd met de wettelijke maatstaven en kan rechtsgevolg hebben, tenzij het in strijd komt met andere onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen.
De Hoge Raad wijst verder af dat de toets van art. 1:159 lid 3 BW Pro (partneralimentatie) analoog moet worden toegepast op kinderalimentatie. In plaats daarvan is de algemene redelijkheid- en billijkheidsleer van toepassing (art. 6:216, 6:248 lid 2 en 6:258 BW). Dit betekent dat wijziging van een niet-wijzigingsbeding mogelijk is indien bijvoorbeeld de draagkracht van de onderhoudsplichtige zodanig is verminderd dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.
De Hoge Raad beantwoordt hiermee de prejudiciële vragen en legt de proceskosten bij de man.
Uitkomst: Een niet-wijzigingsbeding dat verhoging van kinderalimentatie uitsluit is nietig, een beding dat verlaging uitsluit kan rechtsgevolg hebben, en art. 1:159 lid 3 BW is niet analoog van toepassing op kinderalimentatie.