Uitspraak
zetelende te Den Haag,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale en in het incidentele beroep
.
4.Beslissing
1 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft de uitlevering van een Bulgaarse EU-burger die in Nederland woont aan Turkije voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf wegens drugshandel. De Turkse strafrechter veroordeelde hem tot twaalf jaar en zes maanden gevangenisstraf, en de uitleveringsprocedure werd gestart. De Nederlandse rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de Staat onvoldoende informatie had verstrekt aan Bulgarije, waardoor het recht op gezinsleven werd geschonden.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had over de reikwijdte van de informatieverplichting op grond van het Europees recht, met name de arresten Petruhhin en Pisciotti van het HvJEU. Volgens de Hoge Raad bestaat in dit geval geen zwaardere informatieverplichting dan die welke de Staat heeft vervuld. Tevens wijst de Hoge Raad op het arrest Raugevicius van het HvJEU, dat bepaalt dat indien de opgeëiste persoon permanent in Nederland verblijft, hij gelijk behandeld moet worden als Nederlandse onderdanen en dat de straf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd.
Het hof had niet onderzocht of de opgeëiste persoon permanent in Nederland verblijft en of de straf hier ten uitvoer kan worden gelegd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest Raugevicius. Beide partijen krijgen gelegenheid hun standpunten aan te passen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad beide partijen in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest Raugevicius.