Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 5 februari 2019 het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden uit 2005 in een strafzaak. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door zijn raadsman. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het bestreden arrest niet voldeed aan de vereisten van artikel 359, derde en achtste lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat het arrest niet de gebezigde bewijsmiddelen bevatte die de bewezenverklaring ondersteunen. Ook ontbrak een aanvulling ex artikel 365a, tweede lid, Sv. De raadsman had conform het Procesreglement HR verzocht om toezending van deze aanvulling, maar het hof had bericht dat deze niet was opgemaakt.
Gezien het ontbreken van de vereiste bewijsmiddelen in het arrest, hetgeen op straffe van nietigheid verplicht is, vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, voor hernieuwde berechting en afdoening op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontbreken van de bewijsmiddelen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.