Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 5 november 2019 het cassatieberoep van verdachte verworpen in een strafzaak over wederspannigheid, zoals bedoeld in artikel 180 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het beroep was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2018.
Namens verdachte werd een middel van cassatie voorgesteld door zijn advocaat, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat, gelet op artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen nadere motivering noodzakelijk was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van het hof en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatieberoepen die geen wezenlijke rechtsvragen bevatten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.