ECLI:NL:HR:2019:1719

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2019
Publicatiedatum
6 november 2019
Zaaknummer
19/03996
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep niet-ontvankelijk

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die betrekking had op verzet tegen een uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze bepaling stelt dat de Hoge Raad alleen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken voor zover dat bij wet is bepaald.

Omdat er geen wettelijke bepaling bestaat die cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zoals in deze zaak, namelijk een uitspraak op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro gedane uitspraak, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke grondslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03996
Datum8 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2019, nr. 18/5000 WIA-V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 januari 2019.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als de onderhavige, die is gedaan op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro gedane uitspraak. Het beroep in cassatie moet daarom niet‑ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.