ECLI:NL:HR:2019:1719
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep niet-ontvankelijk
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die betrekking had op verzet tegen een uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze bepaling stelt dat de Hoge Raad alleen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken voor zover dat bij wet is bepaald.
Omdat er geen wettelijke bepaling bestaat die cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zoals in deze zaak, namelijk een uitspraak op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro gedane uitspraak, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke grondslag.