Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor seksueel binnendringen bij een meisje onder de 16 jaar. De verdachte, toen 16 jaar oud, pleegde ontuchtige handelingen met een 13-jarig meisje in de woning van een medeverdachte in Amsterdam. Na vrijspraak in eerste aanleg werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld.
In cassatie werd onder meer betoogd dat de toepassing van artikel 80a of 81 van het Wetboek van Strafvordering (RO) door de Hoge Raad bij de verwerping van het cassatieberoep in strijd zou zijn met het recht op een volledige herziening zoals vereist in artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). De Hoge Raad oordeelde dat alleen de uitspraak van het hof ter beoordeling komt en dat de toepassing van deze artikelen slechts ziet op de wijze van motiveren van het oordeel, niet op de inhoudelijke beoordeling.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde werkstraf van 180 uur en de vervangende jeugddetentie van 60 dagen. De rest van het cassatieberoep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president als voorzitter fungeerde.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de werkstraf en jeugddetentie wegens termijnoverschrijding en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.