Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De aanvrager heeft een aanvraag tot herziening ingediend tegen een arrest van de Hoge Raad van 20 november 2018, waarin hij in cassatie niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen door een raadsman. De aanvraag tot herziening is beoordeeld op haar ontvankelijkheid.
De Hoge Raad oordeelt dat het bestreden arrest geen uitspraak houdende veroordeling is in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de aanvraag tot herziening niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 12 november 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk omdat het bestreden arrest geen veroordeling bevat.