ECLI:NL:HR:2019:1745

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2019
Publicatiedatum
8 november 2019
Zaaknummer
17/05745
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a Opiumwet (oud)Art. 11b OpiumwetArt. 140.1 SrArt. 11.3 jo. 3.C OpiumwetArt. 81.1 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen hennepteelt en redelijke termijn in strafzaak

De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie gericht op grootschalige hennepteelt en medeplegen van bedrijfsmatig telen van hennepplanten.

De verdediging stelde onder meer dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel gegrond was en dat dit aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Het eerste middel van de verdediging werd verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest echter uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze van twee jaar en vijf maanden naar twee jaar en drie maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De uitspraak benadrukt het belang van naleving van de redelijke termijn in strafprocedures en bevestigt de betrokkenheid van de verdachte als medepleger bij hennepkwekerijen op basis van het gebruikte bewijsmateriaal.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van twee jaar en vijf maanden naar twee jaar en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/05745
Datum12 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2017, nummer 21/003219-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee jaren en vijf maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en drie maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2019.