Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie gericht op grootschalige hennepteelt, medeplegen van hennepteelt, diefstal van elektriciteit en gewoontewitwassen.
De verdachte stelde meerdere middelen in cassatie, waaronder een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden, maar dat het tweede middel gegrond was omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat.
Hierdoor werd de redelijke termijn overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaar naar twee jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.