Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
Op 27 september 2016 heeft de verdachte een fles urine over haar buurvrouw gegoten, waarbij de penetrante urine over het gezicht, de haren, het shirt en zelfs in de mond van het slachtoffer kwam. Het slachtoffer was ten tijde van de aangifte nog steeds misselijk en had een hevige onlust veroorzakende gewaarwording ervaren.
De rechtbank en het gerechtshof stelden vast dat dit handelen kwalificeert als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr Pro, omdat het opzettelijk een hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam van het slachtoffer teweegbracht zonder rechtvaardigingsgrond. De verdachte stelde in cassatie dat het oordeel onvoldoende gemotiveerd was, maar de Hoge Raad verwierp dit middel.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie waarin is vastgesteld dat mishandeling ook kan bestaan uit het opzettelijk veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording. Het hof had voldoende bewijs en motivatie geleverd, onder meer op basis van het proces-verbaal, de verklaring van het slachtoffer en de vastgestelde feiten.
Het cassatieberoep faalde en de veroordeling wegens mishandeling werd bevestigd. Hiermee onderstreept de Hoge Raad dat ook het veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende lichamelijke gewaarwording kan leiden tot een strafbare mishandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens mishandeling door het opzettelijk teweegbrengen van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording door het overgieten van urine.