ECLI:NL:HR:2019:1751

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2019
Publicatiedatum
11 november 2019
Zaaknummer
18/02890
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt mishandeling door overgieten urine als hevige onlust veroorzakende gewaarwording

Op 27 september 2016 heeft de verdachte een fles urine over haar buurvrouw gegoten, waarbij de penetrante urine over het gezicht, de haren, het shirt en zelfs in de mond van het slachtoffer kwam. Het slachtoffer was ten tijde van de aangifte nog steeds misselijk en had een hevige onlust veroorzakende gewaarwording ervaren.

De rechtbank en het gerechtshof stelden vast dat dit handelen kwalificeert als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr Pro, omdat het opzettelijk een hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam van het slachtoffer teweegbracht zonder rechtvaardigingsgrond. De verdachte stelde in cassatie dat het oordeel onvoldoende gemotiveerd was, maar de Hoge Raad verwierp dit middel.

De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie waarin is vastgesteld dat mishandeling ook kan bestaan uit het opzettelijk veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording. Het hof had voldoende bewijs en motivatie geleverd, onder meer op basis van het proces-verbaal, de verklaring van het slachtoffer en de vastgestelde feiten.

Het cassatieberoep faalde en de veroordeling wegens mishandeling werd bevestigd. Hiermee onderstreept de Hoge Raad dat ook het veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende lichamelijke gewaarwording kan leiden tot een strafbare mishandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens mishandeling door het opzettelijk teweegbrengen van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording door het overgieten van urine.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02890
Datum12 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 december 2017, nummer 22/005867-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd ten aanzien van het teweegbrengen van “een hevige onlust veroorzakende gewaarwording”.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 27 september 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door een fles urine over het lichaam van die [slachtoffer] te legen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een gewaarmerkt afschrift van een proces-verbaal aangifte d.d. 27 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016315696-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Plaats delict : Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam
Pleegdatum : 27 september 2016
Op 27 september 2016 verscheen voor mij een persoon die opgaf te zijn:
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [...]
Adres : [a-straat 1]
Plaats : [woonplaats]
Zij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict op 27 september 2016:
Sinds een jaar of 6 heb ik ruzie met een buurvrouw. Een maand of 2 a 3 geleden bedreigde mijn buurvrouw mij met de woorden: “Ik zal je krijgen, wacht maar als je een keertje naar je werk gaat, je gaat zien, ik pak jou”.
Zij heeft me enkele maanden geleden na een ruzie aangegeven dat ik maar moest wachten tot er een keer, op weg naar mijn werk wat zou gaan gebeuren.
Vandaag was ik op weg naar mijn werk. Ik werk bij [A] in [plaats] . Ik zag dat de buurvrouw in haar auto achter mij aan reed.
Toen ik mijn auto wilde parkeren werd ik bijna door een auto aangereden. Ik zag dat de bestuurster van dit voertuig mijn buurvrouw van de [a-straat 2] was. Ik zag dat haar auto op ongeveer 2 centimeter van mijn auto stond waardoor ik niet verder kon met inparkeren. Ik stond klem tussen mijn buurvrouw en de autodeur die nog open stond. Door de auto die naast mij geparkeerd was kon ik geen kant op. Ik hoorde dat de buurvrouw zei: “Ik heb je gewaarschuwd”. Ik zag dat de buurvrouw een fles in haar handen had. Ik zag dat het een fles betrof die iets groter was dan een halve liter fles. Ik zag dat de buurvrouw de inhoud van de fles over mij heen spoot. Ik zat compleet onder, mijn gezicht, mond, haren, shirt en ook zit het in mijn auto. Even later kwam ik er achter dat het urine betrof.
Ik raakte helemaal in paniek omdat het ook in mijn mond was gekomen. Ik heb een half uur onder de douche gestaan. Ik ben nog steeds misselijk.
2. Een gewaarmerkt afschrift van een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016315696-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op dinsdag 26 september 2016 (het hof begrijpt: dinsdag 27 september 2016) werden wij verbalisanten te Hoogvliet door een mevrouw aangesproken die achteraf bleek te zijn genaamd: [slachtoffer] .
Wij zagen dat [slachtoffer] enorm overstuur was, het shirt dat ze aan had op haar schouder nat was en haar handen hevig trilden.
Wij hoorden dat [slachtoffer] verklaarde: “Mijn buurvrouw woont aan de [a-straat 2] te [woonplaats] ”.
Wij roken een zeer penetrante urine lucht bij [slachtoffer] . Wij zagen dat haar kleding nat was.
Vervolgens hebben wij aangebeld bij de [a-straat 2] te [woonplaats] . Wij zagen dat de deur geopend werd door een mevrouw die ons later opgaf te zijn:
[verdachte] geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] .
3. Een gewaarmerkt afschrift van een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 27 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016315696-5. Dit proces‑verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 27 september 2016 hoorde ik de verdachte:
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [...]
Geboren : [geboortedatum] 1972
De verdachte verklaarde:
V: vraag verbalisant
A: Antwoord (verklaring verdachte)
V: Waar woont u?
A: [a-straat 2] [woonplaats]
V: Wat is er vandaag voorgevallen in Hoogvliet ter hoogte van [A] aan de [b-straat]?
A: Ik moest geld halen bij de bank in Hoogvliet. Ik reed achter mijn buurvrouw. Ik heb mijn auto geparkeerd vervolgens ben ik uitgestapt. In mijn auto liggen diverse flessen met urine. Toen ik uit de auto stapte had ik een fles urine in mijn hand. Ik en mijn buurvrouw stonden naast elkaar geparkeerd. Vervolgens kwam er urine over haar heen.
Ik heb wel twee dingen gezegd “Dat heb ik je beloofd” en “stuur niet weer die mensen bij me huis of zoiets”.”
2.3
Onder ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr Pro moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677).
2.4
Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte de inhoud van een fles urine over [slachtoffer] heen heeft gespoten, dat deze penetrant ruikende urine over het gezicht, de haren en het shirt en in de mond van [slachtoffer] is gekomen en dat [slachtoffer] ten tijde van het opnemen van de aangifte nog steeds misselijk was. Het hierop gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte aldus een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording, zoals hiervoor bedoeld, teweeg heeft gebracht en dat zij [slachtoffer] heeft mishandeld, is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het middel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 november 2019.