Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2018, waarin hij werd veroordeeld voor poging tot doodslag en verkrachting in Tilburg. De feiten betreffen het onder dreiging van messen verkrachten van zijn vrouw in de slaapkamer van hun woning en het vervolgens op haar insteken.
De verdediging heeft een schriftuur ingediend namens verdachte, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hofarrest blijft in stand.