Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een beklag van een derde, klager, tegen beslaglegging op geldbedragen op Schiphol in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Klager stelt rechthebbende te zijn op een deel van de in beslag genomen bedragen. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat klager niet buiten redelijke twijfel had aangetoond rechthebbende te zijn.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank weliswaar het juiste toetsingskader heeft weergegeven, maar vervolgens een onjuiste maatstaf heeft toegepast door te eisen dat klager buiten redelijke twijfel eigenaar of rechthebbende moest zijn en geen stukken over te leggen ter onderbouwing van de legaliteit van de bedragen. Dit is niet de juiste standaard bij een beklag van een derde tegen beslag ex art. 94 Sv Pro.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling op het bestaande klaagschrift. Tevens is in de procedure aandacht besteed aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, mede gelet op een verbeurdverklaring van een deel van de geldbedragen door het Openbaar Ministerie.
De beschikking is gegeven door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 februari 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbehandeling van het klaagschrift.