Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de aanvrager is veroordeeld voor mishandeling van het slachtoffer op 16 december 2015. Het hof bevestigde de bewezenverklaring dat de aanvrager het slachtoffer meerdere malen met kracht had geslagen en getrapt.
De aanvraag tot herziening berustte op een schriftelijke verklaring van het slachtoffer uit 2018, waarin zij verklaarde dat de aanvrager haar niet had mishandeld en dat eerdere verklaringen onder invloed van politie en middelen waren afgelegd. De aanvrager stelde dat indien het hof deze verklaring had gekend, hij niet veroordeeld zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof reeds bekend was met soortgelijke verklaringen van het slachtoffer, waaronder haar eerdere ontkenningen en verklaringen dat zij niets meer van mishandeling wist. Dit blijkt uit de bewijsoverwegingen en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Daarom betrof de nieuwe verklaring geen nieuw gegeven als bedoeld in art. 457 Sv Pro dat tot herziening kan leiden.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag kennelijk ongegrond was en wees de herzieningsaanvraag af. Hiermee blijft de veroordeling van zes weken gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af omdat het hof reeds bekend was met de verklaringen van het slachtoffer.