Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2019, waarin de aanvrager in cassatie niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen door een raadsman. De Hoge Raad heeft de aanvraag tot herziening beoordeeld en geconcludeerd dat het bestreden arrest geen uitspraak houdende veroordeling is in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Hierdoor kan de aanvraag niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, Sv. De Hoge Raad heeft daarom de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
De procedure toont het belang van formele vereisten bij cassatie en herziening en bevestigt dat alleen arresten met veroordelingen in de zin van art. 457 Sv Pro vatbaar zijn voor herziening. De beslissing sluit de procedure definitief af zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: De aanvraag tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een veroordeling in het bestreden arrest.