Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak waarin de verdachte werd vervolgd wegens het niet voldoen aan de verplichting tot inschrijving van zijn onderneming in het handelsregister, zoals voorgeschreven in de Handelsregisterwet 2007.
De verdachte stelde in cassatie onder meer de vraag of het openbaar maken van persoonsgegevens in het handelsregister een inbreuk op het recht op privacy volgens artikel 8 EVRM Pro oplevert. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat de overwegingen van het hof omtrent de toepassing van het HvJEU-arrest C-398/15 begrijpelijk waren.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, maar gelet op de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van €260,- en de mate van overschrijding, geen aanleiding bestond om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.
Het beroep van de verdachte werd derhalve verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de geheel voorwaardelijke geldboete van €260,- blijft in stand.