Uitspraak
nrs. SGR 18/6989, SGR 18/6990 en SGR 6991 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 maart 2019.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag en het verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen een termijn van vier weken. Dit griffierecht is echter niet voldaan.
Na het verstrijken van de betalingstermijn heeft de griffier belanghebbende verzocht om een verklaring waarom het griffierecht niet was betaald. Belanghebbende gaf aan niet in staat te zijn het griffierecht te voldoen, wat als een beroep op betalingsonmacht kan worden opgevat. Echter heeft belanghebbende niet tijdig kenbaar gemaakt dat hij voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht zoals vastgesteld in eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 15 november 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van griffierecht zonder tijdige betalingsonmacht.