Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
19 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak is het verzoek van de verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de uitleg van het begrip 'daadwerkelijke deelname' van een advocaat aan een politieverhoor afgewezen. Het hof had eerder het verzoek om schorsing van het onderzoek ten behoeve van het stellen van prejudiciële vragen afgewezen, omdat de nationale procedures voldoende waarborgen bieden voor de deelname van de advocaat.
De verdediging stelde dat de advocaat niet effectief kon deelnemen aan het verhoor, onder meer vanwege het ontbreken van tijdige inzage in processtukken en het in beslag nemen van de telefoon van de verdachte. De Hoge Raad bevestigt dat de nationale wetgeving, met name artikel 28d Sv, voorziet in het recht van de advocaat om binnen de grenzen van het onderzoek deel te nemen aan het verhoor, waaronder het stellen van vragen en het vragen om verduidelijking.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat in cassatie niet kan worden opgekomen tegen het niet stellen van prejudiciële vragen door het hof en dat het verzoek aan de Hoge Raad zelf om prejudiciële vragen te stellen niet relevant is voor de uitkomst van de cassatieprocedure. Ten slotte verduidelijkt de Hoge Raad dat het recht van de advocaat op deelname aan het verhoor niet inhoudt dat deze onbeperkt toegang heeft tot alle processtukken of inbeslaggenomen voorwerpen voorafgaand of tijdens het verhoor, conform Richtlijn 2012/13/EU.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en wijst het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen af.