Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
Het hierop gebaseerde oordeel van het Hof dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel - ook in het licht van het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven - proportioneel en noodzakelijk is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat, anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, het contact tussen de verdachte en zijn kinderen gedurende deze periode niet onmogelijk is, maar is beperkt tot contact waarbij de gezinsvoogd is betrokken en dat plaatsvindt in het kader van afspraken over de omgang met de kinderen.
3.Beslissing
19 november 2019.