ECLI:NL:HR:2019:1836

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2019
Publicatiedatum
21 november 2019
Zaaknummer
18/01103
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 8:112 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over omzetbelasting door fiscale eenheid

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over de omzetbelasting die door een fiscale eenheid is voldaan over het tijdvak augustus 2012.

De Staatssecretaris stelde twee middelen in cassatie voor, terwijl de fiscale eenheid voorwaardelijk incidenteel beroep instelde. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat het incidentele beroep verviel omdat het alleen ingesteld was voor het geval het principale beroep zou slagen.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof. Het arrest werd gewezen door raadsheren Punt, van Hilten en Faase en op 22 november 2019 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/01103
Datum22 november 2019
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
FISCALE EENHEID [X1] B.V., [X2] B.V. C.S. te Bruinisse (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 februari 2018, nr. 16/00332, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 14/4669) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak augustus 2012.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Het voorwaardelijke incidentele beroep

Aangezien het incidentele beroep alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt het beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende bijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.