ECLI:NL:HR:2019:1847

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
26 november 2019
Zaaknummer
18/04353
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 15.3.a Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zedenzaak over vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding

In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een zedenzaak. Het hof had de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn door een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Verdachte stelde dat hij feitelijk slechter af was dan wanneer de straf onvoorwaardelijk was gebleven, omdat dan het wettelijke systeem van voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15.3.a Sr) van toepassing zou zijn geweest.

De Hoge Raad heeft de middelen van verdachte en het middel van de benadeelde partij beoordeeld. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, oordeelde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is op 26 november 2019 uitgesproken. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafvermindering door gedeeltelijke voorwaardelijke oplegging van de gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04353
Datum26 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 september 2018, nummer 20/001434-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.D. Regter, advocaat te Heerlen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft R.J. Ruiter, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van de beroepen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen van de verdachte en het middel van de benadeelde partij
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2019.