Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
26 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een zedenzaak. Het hof had de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn door een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Verdachte stelde dat hij feitelijk slechter af was dan wanneer de straf onvoorwaardelijk was gebleven, omdat dan het wettelijke systeem van voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15.3.a Sr) van toepassing zou zijn geweest.
De Hoge Raad heeft de middelen van verdachte en het middel van de benadeelde partij beoordeeld. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, oordeelde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is op 26 november 2019 uitgesproken. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafvermindering door gedeeltelijke voorwaardelijke oplegging van de gevangenisstraf.