ECLI:NL:HR:2019:1852

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
26 november 2019
Zaaknummer
16/05161
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45.1 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 4 Legkippenbesluit 2003Art. 81.1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in zaak legkippen

De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon die werd vervolgd voor het houden van legkippen in traditionele legbatterijen, in strijd met het oude Legkippenbesluit 2003 en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De verdachte voerde diverse verweren aan, waaronder dat de kippen in de rui geen legkippen in de zin van het besluit zouden zijn en dat het strafrechtelijk optreden in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel vanwege eerdere bestuursrechtelijke uitspraken.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde middelen niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Dit middel werd gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.

Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking had op de hoogte van de geldboete en verminderde deze van € 5.000,- naar € 4.150,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 26 november 2019.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van € 5.000,- naar € 4.150,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer16/05161 E
Datum26 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 31 maart 2016, nummer 20/001674-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vierde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 5.000,-.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 4.150,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2019.