Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meervoudige ontucht met zijn minderjarige kinderen, verkrachting van de moeder en zware mishandeling. De bewezenverklaarde feiten betroffen onder meer het dwingen van de moeder tot seksuele handelingen met geweld en bedreiging, ontuchtige handelingen met minderjarige kinderen en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de kwalificatie van ontucht met minderjarige kinderen volgens art. 249 Sr Pro onjuist was en dat art. 250 Sr Pro als ‘geprivilegieerde specialis’ van toepassing moest zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende belang had bij deze klacht omdat de strafmaxima gelijk zijn en verwierp het middel.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Daarom werd de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar en negen maanden verminderd tot zeven jaar en zeven maanden.
Het beroep in cassatie werd verder verworpen, waarmee de inhoudelijke veroordeling in stand bleef. De uitspraak werd vernietigd uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zeven jaar en negen maanden naar zeven jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.