Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het zonder toestemming invoeren van pistolen en revolverframes vanuit België, alsmede het medeplegen van het zonder erkenning transformeren van alarm- en startpistolen. De centrale vraag was of alarm- en startpistolen kunnen worden aangemerkt als wapens als bedoeld in categorie III van de Wet wapens en munitie (WWM).
Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld en de Hoge Raad werd gevraagd het arrest te toetsen. De verdediging voerde een middel van cassatie aan, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen, omdat het middel geen aanleiding gaf tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beoordeling van het hof en oordeelde dat alarm- en startpistolen niet onder categorie III van de WWM vallen. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand bleef.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 december 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft in stand.