ECLI:NL:HR:2019:1906
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen 2014 en 2015
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 april 2019, waarin hoger beroep was gedaan tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland over de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2014 en 2015, inclusief de daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente.
De Staatssecretaris van Financiën heeft verweer gevoerd, waarna belanghebbende een conclusie van repliek heeft ingediend. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Dit volgt uit artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de klachten geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.