Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het besturen van een motorrijtuig tijdens een rechterlijk opgelegde rijontzegging op 12 juni 2015.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, noch dat deze ontzegging van kracht was ten tijde van het feit. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat een eerdere veroordeling wegens het besturen van een motorrijtuig met een ongeldig verklaard rijbewijs daarvoor voldoende was.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het gaat om het onder 4 bewezen verklaarde feit en de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.