Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de betrokkene. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, gebaseerd op de aanname dat de betrokkene op 23 november 2017 bekend was met de uitspraak.
De Hoge Raad stelt vast dat uit de akte van uitreiking, waarop het hof zich baseerde, niet duidelijk blijkt welke uitspraak of stukken aan de betrokkene zijn uitgereikt. Hierdoor is onduidelijk of de betrokkene daadwerkelijk op die datum kennis heeft genomen van de uitspraak.
Gelet hierop is het oordeel van het hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het hoger beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal ondersteunt deze beoordeling, waarbij wordt benadrukt dat de termijn voor hoger beroep pas kan worden geteld vanaf het moment dat de betrokkene bekend is met de uitspraak. De zaak wordt opnieuw behandeld door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het hoger beroep.