Uitspraak
gevestigd te Hilversum,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 december 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de dwangsomrechter bevoegd is om een dwangsom op te heffen omdat de hoofdveroordeling reeds is uitgevoerd. D’Olmehorst Holding B.V. had een procedure gevoerd tegen een aandeelhouder en bestuurder van Azure N.V. betreffende de oproeping van een algemene vergadering van aandeelhouders.
De voorzieningenrechter had de dwangsom opgeheven omdat was geoordeeld dat de oproeping van de aandeelhoudersvergadering rechtsgeldig was verricht, mede door de uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van een aandeelhouder met een alternatieve oproeping. Het hof bekrachtigde dit oordeel. D’Olmehorst stelde in cassatie dat de dwangsomrechter niet mocht toetsen of de hoofdveroordeling was uitgevoerd, maar alleen mocht beoordelen of het onmogelijk was om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
De Hoge Raad bevestigde dat de bevoegdheid van de dwangsomrechter op grond van art. 611d Rv beperkt is tot het opheffen van de dwangsom bij onmogelijkheid tot nakoming van de hoofdveroordeling. Het oordeel over de uitvoering van de hoofdveroordeling behoort toe aan de executierechter. De voorzieningenrechter had echter de verkeerde maatstaf toegepast door de uitvoering te beoordelen, maar omdat daartegen in hoger beroep geen grief was gericht, bleef het oordeel in stand. Het cassatieberoep werd verworpen en D’Olmehorst werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de dwangsom is terecht opgeheven.