ECLI:NL:HR:2019:1942

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2019
Publicatiedatum
11 december 2019
Zaaknummer
19/02841
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een aanslag inkomstenbelasting en boetebeschikking voor het jaar 2012.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en constateerde dat belanghebbende een beroep op betalingsonmacht had gedaan voor het griffierecht. Dit beroep werd afgewezen omdat niet aan de criteria was voldaan. Belanghebbende werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en kreeg de mogelijkheid om alsnog te betalen of te reageren.

Ondanks deze aanmaningen en een termijn van vier weken na de laatste brief, werd het griffierecht niet betaald en werd geen tijdige reactie ontvangen. Een te laat ingekomen brief werd buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb Pro werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02841
Datum13 december 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2019, nr. 16/01323, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/6043) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 9 september 2019 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in die brief meegedeeld dat voor de behandeling van de door belanghebbende aanhangig gemaakte zaken (nrs. 19/02838, 19/02841 en 19/02842) eenmaal een bedrag van € 128 aan griffierecht verschuldigd is, hij daaromtrent binnen enkele dagen een griffierechtnota zal ontvangen en dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht de beroepen in cassatie in de hiervoor genoemde zaken niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 12 september 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is - omdat belanghebbende volgens de door de postbezorger op de envelop geplaatste aantekening zou hebben geweigerd het stuk in ontvangst te nemen - wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet betaald.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 14 oktober 2019 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de dagtekening van deze brief mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Die termijn eindigde op 11 november 2019. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie.
Belanghebbende heeft van deze gelegenheid niet tijdig gebruikgemaakt. De op 12 november 2019 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2019.