Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
[betrokkene 1].
3.Beslissing
19 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een verzoek van klaagster, zus van de veroordeelde, tot herroeping van de onttrekking aan het verkeer van een personenauto en subsidiair tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming. De auto was onttrokken aan het verkeer omdat deze was gebruikt bij strafbare feiten gepleegd door haar broer. Klaagster stelde dat zij de auto te goeder trouw via Marktplaats had aangeschaft en niet verwijtbaar had gehandeld.
Het hof verklaarde het klaagschrift ongegrond en wees het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming af zonder hiervoor een motivering te geven. De raadsman van klaagster had aangevoerd dat zij onevenredig in haar belangen werd geschaad door de onttrekking en dat een tegemoetkoming redelijk was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten motiveren waarom het verzoek om geldelijke tegemoetkoming niet werd toegewezen, zoals vereist op grond van art. 33c, tweede lid, Sr, in verbinding met art. 36b, tweede lid, Sr. Omdat deze motivering ontbreekt, wordt de beschikking vernietigd voor zover het verzoek om tegemoetkoming betreft en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij de afwijzing van verzoeken om geldelijke tegemoetkoming na onttrekking aan het verkeer.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering over het verzoek om geldelijke tegemoetkoming en wijst de zaak terug naar het hof.