Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte, een Statenlid van Sint Maarten, werd onder meer verdacht van actieve omkoping van een ambtenaar door giften te doen ten behoeve van vergunningsaanvragen van een bordeel en het feitelijk leiding geven aan het niet doen van belastingaangifte door een rechtspersoon.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en betrof onder meer een verweer gericht op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en een bewijsklacht. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Borgers en Röttgering, en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof blijft in stand.